Posted on

Onaanvaardbaar dat legertop info achterhoudt over F-16

De Kamer debatteerde vanmiddag over de defensienota waaruit blijkt dat de F-16’s langer zouden kunnen in dienst blijven. Open Vld Kamerlid Tim Vandenput: “Het is onaanvaardbaar dat deze nota niet werd gedeeld met de minister. Zo ontstaat het beeld dat de legertop de beslissing liefst zelf neemt. We eisen transparantie.”

De regering besloot om de F-16 gevechtsvliegtuigen te vervangen en startte een procedure op waarbij producenten zich kandidaat kunnen stellen. “Open Vld is altijd voorstander geweest van een sterke luchtmacht die ons luchtruim kan verdedigen, maar die ook klaarstaat voor gevechtsmissies in het buitenland. Missies zoals die tegen IS moeten we ook in de toekomst kunnen uitvoeren als een loyale bondgenoot”, zegt Tim Vandenput.

Vroeg of laat moeten onze F-16’s dus worden vervangen. Daarbij werd altijd uitgegaan van een pensioen van de jagers vanaf 2023. Maar nu blijkt dat er een nota van de producent bestaat waaruit blijkt dat de F-16’s langer zouden kunnen meegaan. Deze essentiële informatie werd doelbewust achtergehouden voor de minister van Defensie.

Vandenput: “Over de vervanging moet beslist worden in alle transparantie, met alle kaarten op tafel. We beslissen immers voor de komende 30-40 jaar en over miljarden belastinggeld. Nu ontstaat het beeld van een legertop die liefst beslist in plaats van de minister en hiervoor info achterhoudt. De minister zelf spreekt van manipulatie. Dat is on-aan-vaardbaar in onze democratie.”

Open Vld eist dan ook een grondig onderzoek van dit rapport. “Wie wist er van af? Wie heeft het verborgen? De verantwoordelijken moeten de gevolgen dragen. Maar ook de inhoud moeten we nader bekijken: is een levensduurverlenging alsnog mogelijk, tegen welke prijs, en welke inzetbaarheid kopen we daar mee?”

Dit dossier is volgens het liberale Kamerlid van groot belang voor de toekomst van defensie, voor onze geloofwaardigheid op internationaal vlak, veiligheid van ons land. “Het is dan ook cruciaal dat de minister hiervoor de nodige autoriteit heeft. Het parlement moet zich spoedig grondig buigen over de interne en externe audits die besteld zijn.”

Posted on

Een Europees leger: more bang for the buck

Dit opiniestuk verscheen eerst op www.hln.be

Afgelopen maandag sloten 23 Europese lidstaten een akkoord om veel intensiever samen te gaan werken op het vlak van defensie. Open Vld Kamerlid en defensiespecialist Tim Vandenput wil dat deze samenwerking op termijn uitmondt in een Europees leger. 

Ten eerste heeft Europa nood aan een geloofwaardige en gezamenlijke defensie. Meer dan ooit. Rusland annexeerde de Krim en bezet nog steeds Oost-Oekraïne. Afrika en het Midden-Oosten zijn instabiel. De Britten, al langer koele minnaars van Europese samenwerking, kozen voor de Brexit. Donald Trump noemde de NAVO tijdens zijn campagne overbodig. De terreurgolf heeft vele Europese steden getroffen en cybercrime plaatst alle landen voor grote uitdagingen. Europa beseft dat het zelf zal moeten instaan voor haar veiligheid.

Sinds 2009 heeft de Unie al een officieuze buitenlandminister. Vandaag is dat Federica Mogherini. Die vertolkt de Europese diplomatieke standpunten op het wereldtoneel en heeft haar nut al bewezen. Kijk bijvoorbeeld naar het nucleair akkoord dat met Iran werd gesloten. Maar een buitenlandbeleid is énkel geloofwaardig, wanneer het ook gesteund wordt door een militaire slagkracht. Die militaire ‘one command’ hebben we vandaag niet. Elke lidstaat heeft zijn eigen leger. Die troepen worden echter willekeurig en zonder veel wederzijdse verplichtingen in een Europees kader ingezet. Daar kan nu dankzij een verregaande defensiesamenwerking eindelijk verandering in komen.

Ten tweede zal deze samenwerking ons ook in staat stellen om minder centen te verspillen en ons beter te bewapenen tegen bedreigingen. Logisch ook, want vandaag onderhouden we een veelvoud aan luchtmachten, zeemachten en landmachten. Een beetje soevereiniteit afgeven aan een Europees leger levert ons “more bang for the buck”, zoals de Amerikanen het zeggen. Vandaag spenderen de Europese lidstaten de helft van het Amerikaanse budget aan defensie. Maar dat levert ons amper 15% van de Amerikaanse slagkracht op. Die verhouding kan door Europese samenwerking worden rechtgetrokken.

In de toekomst kunnen lidstaten gerichter en slimmer investeren, in functie van de noden van het Europese geheel. Aankopen kunnen samen worden gedaan en er zal één Europese markt voor defensiegoederen ontstaan. Dergelijke initiatieven drukken altijd te prijs. Europa zal zelfs investeren in defensie-onderzoek. Ongetwijfeld zullen Belgische bedrijven die sterk staan in innovatie hier de vruchten van plukken door de ontwikkeling van nieuwe prototypes. Maar dat ontslaat ons land niet van de plicht om wel degelijk te blijven investeren in defensie, liefst 1,3% van het bbp. We zijn geen profiteurs, maar een loyale partner in Europa en de NAVO.

Waar gaat dit naar toe? Het uiteindelijke doel moet zijn: een Europees leger onder Europese vlag, met bijdragen van alle lidstaten. Dit leger moet onderdeel zijn van een bredere Europese aanpak, met ook een Europese diplomatie en een Europese inlichtingendienst. Onder een eengemaakte Europese defensie-industrie kunnen ook onze bedrijven verder groeien. Maar dat gaat dus stap voor stap.

De Europese Unie is ook niet op één dag gebouwd. Alles begon met een eengemaakte markt voor kolen en staal. Vandaag is de EU het grootste handelsblok ter wereld. Maar de klik is in vele hoofden met deze nieuwe samenwerking gemaakt. Ook bij onze eigen minister van Defensie Vandeput (N-VA). In 2016 liet hij in Knack nog optekenen dat hij “de dromers die nog in een Europees leger geloven veel plezier toewenst, maar ze dwalen.” Afgelopen maandag tekende Vandeput als eerste lidstaat het nieuwe akkoord en was hij laaiend ethousiast over “de sterke Europese defensiepoot die de NAVO kan versterken.”

Dit weekend debateert Open Vld op het vrijheidscongres in Antwerpen over dit voorstel. Zonder veiligheid, geen vrijheid. In een veranderende wereld met globale uitdagingen en bedreigingen heeft het geen enkele zin om ons terug te plooien achter landsgrenzen, maar biedt enkel meer Europese samenwerking een echte oplossing. Open Vld pleit al jaren voor deze oplossing en zal dat blijven doen.

Posted on

“Kernwapens wegwensen is nobel maar brengt vrede geen stap dichterbij”

‘Kernwapens vormen een duidelijk gevaar voor de toekomst van onze planeet. Hen simpelweg laten verbieden door niet-nucleaire staten, zoals ICAN voorstelt biedt echter geen oplossing voor dit probleem’, schrijft Kamerlid Tim Vandenput (Open VLD). ‘Door hun grote strategische waarde is een gezamenlijke, verifieerbare en geleidelijke afbouw van kernwapenarsenalen de enige realistische optie.’

Dit jaar werd de Nobelprijs voor de vrede uitgereikt aan de Internationale Coalitie tegen kernwapens (ICAN). Dit ter erkenning van de rol die ze speelden in de totstandkoming van een verdrag waarrond er al heel wat te doen is geweest op de opiniepagina’s van verschillende kranten: het verbodsverdrag op kernwapens. Dit gaat verder dat voorgaande verdragen zoals het non-proliferatieverdrag doordat het kernwapens meteen wil verbieden.

Alhoewel dit zeer ambitieus en revolutionair klinkt, zal dit verdrag enkel bindend zal zijn voor de staten die het ook effectief ondertekenen. Zo’n 53 staten hebben het verdrag effectief al ondertekend maar hier is geen enkele kernwapenstaat bij en zij zullen dit ook niet doen. In de praktijk zal er bij de inwerkingtreding van dit verdrag dus geen enkel kernwapen verdwijnen. 53 staten kunnen ze wel ‘wegwensen’ maar daarom wordt dit nog niet de realiteit.

Dat ICAN de nobelprijs voor de vrede krijgt, is enigszins ironisch. Hun doel is zeker nobel te noemen maar het verbodsverdrag waarvoor ze pleiten kan net zorgen voor minder vrede. Zoals Carl Bildt, voormalig premier van Zweden en voorzitter van de European Council on Foreign Affairs, zie: “in het beste geval is het verdrag een pure sideshow, in het ergste geval kan het voor een nucleair conflict zorgen”.

Verzwakking van democratische staten

De voorstanders van dit verdrag stellen dat we het akkoord moeten zien als een drukkingsmiddel om kernwapenstaten te bewegen tot ondertekening van het verdrag en uiteindelijke ontwapening. Ze noemen het een ‘deeltjesversneller’ die het ontwapeningsproces nieuw leven zou inblazen. De bevolking van de staten die het verdrag niet mee ondertekenen, zullen dan op straat komen en samen met het middenveld democratische druk uitoefenen op hun regering totdat het verdrag wel ondertekend wordt.

Deze redenering gaat echter voorbij aan een belangrijk feit: ook ondemocratische staten bezitten kernwapens. Zo valt moeilijk te begrijpen hoe de Noord-Koreaanse bevolking hun grote leider tot ondertekening zullen aanzetten als ze hoogstwaarschijnlijk nooit van het bestaan van het verdrag zullen afweten. Ook in Rusland en China moeten we niet meteen een grote democratische druk vanuit de bevolking verwachten.

Dat is ook het fundamentele probleem van dit verdrag: het zal enkel een effect hebben op de democratische staten, waardoor hun veiligheid ten opzichte van ondemocratische, autoritaire staten sterk verzwakt wordt. Dit kan toch niet de bedoeling zijn?

Dat internationale druk op deze autoritaire staten hen dan alsnog tot ontwapening zou bewegen, lijkt ook niet realistisch. Wie maakt hen wat, zo lang ze over kernwapens beschikken? Kijk ook maar naar Noord-Korea. Het land staat al decennia onder zware internationale druk staat en besluit hier alleen maar uit dat het de ontwikkeling van kernwapens nog moet opvoeren om zo haar macht nog verder te vergroten en een invasie af te schrikken.

Geen appelen met peren vergelijken

Hiermee komen we bij een tweede belangrijk probleem met het verbodsverdrag: in tegenstelling tot andere wapens zijn kernwapens van een ongeziene strategische waarde en zelfs fundamenteel voor de veiligheid van enkele landen. Deze unilateraal verwijderen, zonder garanties dat andere kernmachten hetzelfde doen, wordt door kernwapenstaten dan ook gezien als strategische zelfmoord.

De voorstanders van het verbod wijzen op gelijkaardige verbodsverdragen voor clustermunitie, landmijnen en zelfs slavernij. Deze vergelijking loopt echter helemaal mank. Kernwapens hebben zo’n grote impact en strategische rol dat zelfs het bestaan van maar 1 kernbom onaanvaardbaar zou zijn voor alle andere staten. Dit is niet het geval bij clusterbommen of landmijnen, waarbij elke vermindering merkelijk minder slachtoffers oplevert, zonder de veiligheidsstrategie van andere staten aan te tasten.

Bovendien zien we ook dat deze ‘voorbeeldverdragen’ niet sluitend zijn: clusterbommen en landmijnen bestaan nog en worden nog steeds gebruikt. Indien het verbod op kernwapens even sluitend zou zijn, belooft dat alvast niet veel goeds voor de nucleaire veiligheid in de wereld.

Geen waterdicht verdrag

Dat het verdrag niet sluitend is, blijkt ook uit het feit dat bepaalde concrete bepalingen niet waterdicht zijn. Omdat men snel klaar wilde zijn met de onderhandelingen over het verdrag, lijkt het alsof men een paar essentiële ‘safeguards’ over het hoofd heeft gezien.

Zo worden de huidige ‘nucleaire staten’ wel gedwongen om aan de strengste vereisten van het Internationaal Atoomenergieagentschap en het Non-Proliferatieverdrag te voldoen indien ze willen toetreden tot het verdrag maar wordt niet dezelfde inspanning gevraag van de ‘niet-nucleaire staten’. Dit betekent dus dat sommige staten met nucleaire ambities uit het NPT kunnen stappen en via dit verbodsverdrag vrijer kunnen werken aan hun nucleair programma. Zoiets boezemt de huidige nucleaire staten natuurlijk niet meteen vertrouwen in.

Stap per stap

Uiteraard betekent dit alles niet dat we dan maar nucleaire ontwapening als een verloren zaak moeten zien. Het betekent enkel dat er geen ‘shortcut’ naar een kernwapenvrije wereld bestaat zoals ICAN ons wil doen geloven. In een tijd waarin alle kernwapenstaten bezig zijn met de modernisering van hun nucleair arsenaal en de spanningen tussen deze staten onderling terug aan het oplopen zijn, is het pleiten voor een de facto unilaterale ontwapening van het Westen ronduit gevaarlijk.

Een kernwapenvrije wereld valt enkel te bereiken door een verifieerbare vermindering van kernwapens waar alle kernwapenstaten aan deelnemen. Indien dit soort onderhandelingen telkens faalt, betekent dat niet per se dat de methode inherent fout of verwerpelijk is, wel dat de omstandigheden van dat moment niet het gewenste resultaat hebben toegelaten. We moeten dus opnieuw proberen om ze wel succesvol te maken, hoe moeilijk ook.

Bovendien moeten we het ‘falen’ van de bestaande ontwapeningprocessen ook niet overdrijven. Sinds 1986 is het wereldwijde arsenaal aan kernwapens al met 80% gekrompen. Nog steeds genoeg om de wereld verschillende keren naar de vaantjes te helpen, maar stellen dat de kernwapenstaten geen stappen tot ontwapening zetten is de waarheid geweld aandoen.

De recente internationale demarche van de Belgische regering om het CTBT-verdrag, dat kernproeven verbiedt en reeds geratificeerd is door Rusland, Frankrijk en het VK, nieuw leven in te blazen toont bovendien dat België zich nog wel degelijk inzet voor stapsgewijze nucleaire ontwapening.

Nucleaire ontwapening is een proces dat zeer traag zal verlopen en vaak op een muur zal botsen. Dit is echter onvermijdelijk en ook logisch. Om van zo’n strategisch belangrijke maar uiterst destructieve wapens af te geraken, is een waterdicht proces nodig waar iedereen zich in kan vinden, geen verdrag dat kernwapens wegwenst.

Posted on

“Met herfederalisering van geluidsnormen halen we een zeer irritante angel uit het hele luchthavendossier”

‘Door zeer strenge geluidsnormen op te leggen in Brussel, dreigen inwoners van de Vlaamse rand buitenproportioneel getroffen te worden door de lawaaihinder’, schrijft Open VLD-Kamerlid Tim Vandenput. Hij pleit voor een herfederalisering van de geluidsnormen.

De discussie over de geluidsnormen en vliegwet stond deze week opnieuw onder hoogspanning. De Vlaamse regering riep een tweede belangenconflict in tegen de verstrengde normen in Brussel. De Brusselse regering wilde dit belangenconflict eerst naast zich neerleggen, maar besloot dan toch om nog geen boetes te innen bij luchtvaartmaatschappijen die de nieuwe normen overschrijden.

Minder emoties, meer feiten

Iedereen staat met getrokken messen tegen over mekaar. Dat is wat we niét nodig hebben. Er staat gewoon te veel op het spel. Vooreerst de veiligheid van omwonenden. Vliegtuigen kunnen nog altijd niet verticaal opstijgen, ze moeten dus gebieden overvliegen. Maar dit moet wel veilig gebeuren. Daarnaast zijn ook de ecologische en gezondheidsbekommernissen terecht. Maar er is ook het gigantische economische belang van onze luchthaven. Ze is de tweede economische groeipool van ons land en stelt 60.000 Vlamingen, Walen én Brusselaars te werk. Wat ons betreft, moet deze internationale luchthaven in het hart van ons land en Europa alle groeikansen krijgen.

Om tot een oplossing voor dit ‘kl*tedossier’ te komen, zullen alle regeringen in dit land hun particuliere en politieke belangen moeten overstijgen. Het algemeen belang van alle Belgen moet opnieuw voorop staan. Premier Charles Michel steekt hiervoor zijn nek uit en toont leiderschap. Zo zijn de boetes tijdelijk van de baan en zal het dossier de komende weken in werkgroepen opnieuw worden geobjectiveerd. Samen met experts zoals mensen van Belgocontrol, met de objectieve feiten in de hand, en met een oprechte politieke wil, kunnen die werkgroepen tot een oplossing leiden. We hebben nood aan minder emoties, en meer feiten.

Herfederaliseer de geluidsnormen

Een dergelijk compromis over de vluchtroutes, de tolerantiedrempel voor de geluidsnormen, het begin en einde van de nacht… neemt wel niet weg dat in het kleine gebied rond onze nationale luchthaven nog steeds twee verschillende geluidsnormen kunnen gelden. De gewesten hebben de bevoegdheid om hun eigen geluidsnormen te verstrengen of te versoepelen. Zij kunnen dus elke pacificatie van het luchthavendossier op eender welk moment opnieuw aan flarden schieten. Om een toekomstig compromis ook op lange termijn te verankeren, pleit ik er voor om de bevoegdheid over de geluidsnormen te herfederaliseren.

Dat is niet meer dan logisch. In het luchthavendossier spelen zoals gezegd verscheidene belangen, zoals de economie, de volksgezondheid en veiligheid. Daarnaast ondervinden burgers van alle gewesten de impact, voor- en nadelen van de luchthaven. Het federale bestuursniveau is het enige dat met al deze belangen en burgers kan én moet rekening houden. Het is het enige bestuursniveau dat deze tegenstrijdige belangen ook kan verzoenen.

“In andere federale staten zoals Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland zijn geluidsnormen steeds een federale bevoegdheid.”

Noteer dat het federale België een buitenbeentje is als het aankomt op de geluidsnormen. In andere federale staten zoals Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland zijn geluidsnormen steeds een federale bevoegdheid. Net omwille van het feit dat de deelstaten op dit vlak het algemeen belang ernstig in de weg kunnen staan. In die landen zijn er geen grote conflicten over deze materie.

Het is ook een kwestie van democratische correctheid. Door zeer strenge geluidsnormen op te leggen in Brussel, dreigen inwoners van de Vlaamse rand buitenproportioneel getroffen te worden door de lawaaihinder. Deze Vlamingen hebben democratisch echter geen zeg over de beslissing van de Brusselse politici, maar ze dragen er wel de gevolgen van. Het Amerikaanse ‘No taxation without representation’, wordt dan ‘No burden without representation’.

Is deze herfederalisering van de geluidsnormen een conditio sine qua non om dit dossier op te lossen? Neen. Ik ben er van overtuigd dat de onderhandelaars ook binnen het huidig kader tot een kortetermijnoplossing kunnen komen. Maar met de herfederalisering halen we wel een zeer irritante angel uit het hele luchthavendossier. Dat is cruciaal voor een definitieve regeling. En die is nodig om de stabiliteit en zekerheid voor burgers, luchtvaartmaatschappijen en de luchthaven te garanderen.

Daarom vind ik dat het huidige vechtconfederalisme dringend plaats moet ruimen voor een flinke portie federale loyauteit.

Posted on

“Ontwikkeling militaire drones zal ons geen windeieren leggen”

De regering Michel legde in het Kerstakkoord van eind 2015 de krijtlijnen vast voor het strategisch toekomstplan van ons Belgisch leger. De modernisering van onze luchtmacht met onder meer de vervanging van de F-16’s was daarbij een van de grote bakens die werden uitgezet. Deze week ontving de commissie Landsverdediging in geheime zitting de vliegtuigbouwers SAAB en Lockheed-Martin. Vervolgens zullen ook Boeing, Dassault en Eurofighter aan bod komen.

Doorheen de jaren heeft onze krijgsmacht zich steeds verregaander gespecialiseerd in bepaalde taken en dit in harmonie met onze NAVO- en Europese bondgenoten. Als er één opdracht is waar we als klein land internationaal in uitblinken en een absolute meerwaarde bieden, dan is dat de inzet van onze luchtmacht en in het bijzonder onze F-16’s in buitenlandse opdrachten. Daarnaast zijn deze gevechtsvliegtuigen onmisbaar voor de bescherming van ons luchtruim. Een belangrijke opdracht gezien ons land met Brussel het kloppend hart van Europa is. Een opdracht die we dus ook niet zomaar kunnen ‘uitbesteden’ aan bijvoorbeeld Nederland in een toekomstig Europees leger.

Dat onze gevechtsvliegtuigen moeten vervangen worden, staat dus buiten kijf. Rest nog de vraag welk type we kiezen. Wat ons betreft, moet er rekening worden gehouden met zowel technologie als prijs. Helaas kan ‘return on investment’ voor onze Belgische industrie en economie niet langer het enige criterium zijn, bij geen van de 5 opties. De keuze voor de Rafale, Eurofighter, F-18, Gripen of F35 moeten we volledig objectiveren. Wij zullen ons alvast onbevangen opstellen.

Minder traditionele en meer onbemande toestellen?

Tegelijkertijd worden we geconfronteerd met de vaststelling dat we voor een nieuw tijdperk in de militaire luchtvaart staan. Over een tiental jaar nemen onbemande vliegtuigen ongetwijfeld nog meer taken over van hun bemande variant. Deze evolutie heeft bepaalde voordelen: zogenaamde UAV’s (unmanned aerial vehicles) zijn veel wendbaarder, vaak ‘onzichtbaar’ en kunnen voor langere tijd worden ingezet, zonder levensgevaar voor een piloot.

Willen we onze luchtmacht moderniseren, moeten we ook hier op inzetten. Het is een en-en-verhaal, gezien bemande vliegtuigen nog steeds bepaalde taken zullen moeten uitvoeren. Denk bijvoorbeeld aan het onderscheppen van een vliegtuig in problemen. Maar we moeten ons dus wel afvragen of we het eventueel met wat minder ‘traditionele’ toestellen kunnen doen, ten voordele van investeringen in UAV’s.

Vorig jaar is een Europees ontwikkelingsprogramma opgestart door Italië, Duitsland en Frankrijk dat een nieuwe generatie drones ontwerpt die tot op 9 km hoogte en 24 uur lang kunnen vliegen, met wapens aan boord. Ons land moet ernstig overwegen om hier aan te participeren. Op die manier kunnen we onze luchtmacht moderniseren, herbevestigen we onze rol als voortrekker van een Europees defensiebeleid en maken we ons onafhankelijk van technologie uit de VS of Israël.

Minstens even belangrijk is dat zo’n participatie in een ontwikkelingsprogramma een enorme hefboom en stimulans zal zijn voor onze onderzoeksinstellingen, bedrijven, jobcreatie, spin-offs in de civiele sector en dus de gehele economie. De participatie in het F-16-ontwikkelingsprogramma heeft ons destijds geen windeieren gelegd. Bedrijven als Techspace Aero, Sabca en Sonaca bloeiden en de innovaties werden herbruikt in tal van burgerluchtvaartprojecten, onder meer bij Airbus.

Drones zijn echter binnenkort overal. Denk aan de programma’s van Amazon om pakjes te leveren, het bewaken of in beeld brengen van bepaalde gebieden enzovoort. De mogelijkheden zijn haast eindeloos. We spelen daar al voorzichtig op in, onder meer aan de KULeuven of met de Drone Valley in Sint-Truiden. Maar deelname aan een militair ontwikkelingsprogramma zou ons een enorme technologische voorsprong geven waardoor we deze sector alle kansen kunnen geven. Food for thought.

Posted on

Belgische handelsmissies: “Het maakt niet uit of de kat zwart of wit is, als ze maar muizen vangt”

Premier Charles Michel tijdens de Belgische handelsmissie in Japan

Deze opiniebijdrage verscheen eerst op Knack.be en in De Tijd.

avatar Tim Vandenput en Patrick Dewael Open VldDoor Patrick Dewael en Tim Vandenput, respectievelijk fractieleider in de Kamer en Volksvertegenwoordiger in de commissie Buitenlandse Zaken (Open Vld).

Wat? In de geest van een volwassen samenwerkingsfederalisme moeten we pragmatisch zijn en al onze troeven uitspelen tijdens buitenlandse missies. Of dat nu Belgische, regionale of beide vlaggen is, het resultaat telt: investeringen, groei en jobs.

Handel heeft al eeuwen de kracht om mensen over continenten heen met elkaar te verbinden, economieën te doen groeien en jobs te creëren. Het is een synoniem voor vooruitgang. Daarom zijn wij liberalen grote voorstander van Europese vrijhandelsakkoorden. Maar daarnaast zijn ook bilaterale economische banden belangrijk voor een export- en doorvoerland als het onze.

België heeft sterke troefkaarten in handen: onze werknemers zijn hoogopgeleid en uiterst productief, onze bedrijven efficiënt en innovatief, onze ligging in het hart van Europa met belangrijke havens cruciaal, en met Brussel hebben we het belangrijkste beslissingscentrum van het continent.

Dat zijn troeven die we te danken hebben aan alle entiteiten die ons land rijk is, zowel de federale staat als de drie gewesten. Je zou dan ook denken dat we die troefkaarten tezamen op tafel leggen in onze diplomatieke, politieke en economische contacten met het buitenland. In de geest van een volwassen samenwerkingsfederalisme waar onze partij voor staat.

Toch stak ook deze week weer een geldingsdrang, een communautaire koortsopstoot zo u wil, de kop op in Vlaanderen. Onze regio zou imagoschade hebben opgelopen in Japan door de buitenlandse missie van premier Michel. Belgisch surrealisme ten top. Onze staatsstructuur plots op tafel als zwarte piet tussen de sterke troefkaarten. Dit terwijl de bevoegdheden tijdens de missie werden gerespecteerd.

Belangrijker dan wie op de eerste rij staat om een lintje te knippen, zijn volgens ons de resultaten van onze economische diplomatie. Investeringen, groei, jobs. Daar gaat het om. In het geval van de Japanmissie hebben we die binnengehaald door onder meer het sterk werk van het Vlaamse FIT, maar ook onze federale notionele intrestaftrek en hogergenoemde troeven speelden ongetwijfeld mee.

Pragmatiek moet in deze haantjes-, of beter gezegd leeuwtjesgedrag overwinnen. Als we met het merk België, de premier of de Koninklijke familie meer investeerders kunnen overtuigen, moeten we dat toch gewoon doen? Is dat met het merk Brussel? Nooit twijfelen! In 2013 was het merk België zo’n €420 miljard waard en vermoedelijk doet het merk ‘Brussel’ het zelfs beter. Het is nu eenmaal een realiteit dat submerken zoals Vlaanderen en Wallonië een pak minder wegen. Dat neemt niet weg dat we ze moeten gebruiken om specifieke boodschappen te onderschrijven. Denk maar aan Mons 2015 of de haven van Antwerpen. Wat we nooit uit het oog mogen verliezen: door al onze troeven op te tellen wordt onze merkwaarde nog groter.

Wat ons betreft maakt het niet uit of de kat wit of zwart is. Als ze maar muizen vangt. In Japan deed ze dat alvast, door sterke samenwerking. Waar gaan we volgende keer op jacht?